© 2013 - 2015  Buro BOV | softwareontwikkeling

home - vorige - volgende

home - vorige - volgende

Afdeling 7.1 - Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand, nieuwbouw en bestaande
                           bouw

Doel

De kans op het ontstaan van een brand of een brandgevaarlijke situatie als gevolg van het gebruik van een bouwwerk tot een aanvaardbaar minimum beperken.

Bepalingsmethode

NEN 6061, NEN 6064, NEN 6065 en NEN-EN 13501-1

Terminologie & afkortingen

  • aankleding: een in een bouwwerk aanwezig onderdeel dat geen constructieonderdeel of een installatie van dat bouwwerk is en dient ter verfraaiing, zoals gordijnen, wandafwerking, vloerbedekking en versiering (bijvoorbeeld slingers);
  • ADR-klasse: classificatie als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171), genaamd Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route; deze afkorting wordt meestal gebruikt om de bijlagen bij het verdrag aan te duiden, waarin al de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen vervat zijn; deze voorschriften worden door een commissie van deskundigen om de twee jaar aangepast en worden dan bijvoorbeeld aangeduid als ADR 2013;
  • brandbare niet-milieugevaarlijke stof: brandbare stof die geen brandgevaarlijke stof is (dus geen stof is in de zin van de ADR-klassen twee tot en met vijf);
  • brandbare stof: vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar is; voor zover het gaat om constructieonderdelen, gaat het om onderdelen die niet voldoen aan brandklasse A;
  • brandgevaarlijke stof: vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen twee tot en met vijf;
  • brandklasse: Europese brandklasse als bedoeld in NEN-EN 13501-1 (zie tabel 2.15 voor de betekenis van de brandklassen);
  • CLP-verordening: Europese verordening EG 1272/2008 (CLP staat voor classification, labeling and packaging);
  • EU-GHS; in de CLP-verordening vastgestelde etikettering volgens het Globally Harmonised System of Classification and Labeling of Chemicals (GHS); de systematiek volgens de EU-GHS wijkt enigszins af van de systematiek volgens de GHS;
  • H- en P-zinnen: gevarenaanduiding volgens de systematiek van de EU-GHS, (een door de EU aangevulde H-zin wordt aangeduid als EUH-zin); deze H- en P-zinnen vervangen de R- en S-zinnen (die na 1 juni 2015 niet meer mogen worden toegepast);
  • inrichtingselement: speciaal element van de inventaris, waartoe losse stands, kramen, schappen, podia en dergelijke worden gerekend;
  • inventaris: in een bouwwerk aanwezige elementen, anders dan opslag- of gebruiksgoederen, die geen onderdeel zijn van het bouwwerk zoals meubilair en inrichtingselementen;
  • navlamduur: de tijd dat bij een vlamproef, na het weghalen van de ontstekingsbron, verbranding plaatsvindt met en zonder dat er vlamverschijnselen zichtbaar blijven (deze term is niet in het Bouwbesluit 2012 gedefinieerd);
  • nominale belasting (B): maximale belasting van een verbrandingstoestel (volgens opgave van de fabrikant) en bij een gastoestel bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is ingericht;
  • restrisico: niet aanvaardbaar risico dat niet is afgedekt door een krachtens het Bouwbesluit 2012 of de Wet milieubeheer gegeven voorschriften;
  • stookruimte: technische ruimte die uitsluitend is bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen;
  • R- en S-zinnen: gevarenaanduiding, waarbij R staat voor ‘risk’ en S staat voor ‘safety’; de R- en S-zinnen mogen uiterlijk nog tot 1 juni 2015 worden toegepast; daarna mogen alleen de H- en P-zinnen worden toegepast;
  • zelfsluitend: een voorziening voor een constructieonderdeel, zoals een deur, een beweegbaar raam of een luik, die er voor zorgt dat het desbetreffende constructieonderdeel na gebruik de opening weer afsluit.

Samenhang met andere artikelen

Afdeling 2.8 - Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
De kans dat brand kan ontstaan, beperken tot een aanvaardbaar risico.

Afdeling 2.10 - Beperking van uitbreiding van brand
Bij een eventuele brand de kans tot ernstige gevolgen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Afdeling 3.8 - Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas
Het binnen een besloten ruimte voorkomen van de vorming van koolmonoxide.

Afdeling 6.7 - Bestrijden van brand, nieuwbouw en bestaande bouw
Het aanwezig zijn van voorzieningen om de brand te bestrijden.

Artikel 7.1 - Aansturingsartikel

tabel 7.1 - toelichting

tabel 7.1 - toelichting -

Lid 1

Het gebruik van een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand wordt voorkomen.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 7.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.

Artikel 7.4 - Aankleding

toelichting

Lid 1

Aankleding in een besloten ruimte mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is niet aanwezig indien de aankleding:

  • een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
  • onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
  • voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1;
  • voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in afdeling 2.9, of
  • een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.

protocol

Lid 2

Bij een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen is het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing, indien de aankleding:

  • zich bevindt boven een gedeelte van de vloer waar zich personen kunnen bevinden;
  • de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is, en
  • niet direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht.

protocol

Lid 3

Aankleding in een besloten ruimte die niet direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is niet aanwezig indien de aankleding:

  • een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
  • onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
  • voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1 of
  • voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in afdeling 2.9.

protocol

Lid 4

Materiaal ter plaatse van of nabij apparatuur en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, als bedoeld in NEN-EN 13501-1 of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, indien:

  • op het materiaal een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m², of
  • in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90° C.

protocol

Lid 5

In een besloten ruimte zijn geen met brandbaar gas gevulde ballonnen aanwezig.

protocol

Lid 6

Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.


Lid 7

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de bijdrage aan brandgevaar van aankleding.

protocol

Artikel 7.9 - Veilig gebruik verbrandingstoestel

toelichting

Lid 1

Een verbrandingstoestel wordt uitsluitend gebruikt indien:

  • de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht en de voorziening voor afvoer van rookgas niet zijn afgesloten;
  • de capaciteit van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht, van de voorziening voor afvoer van rookgas en van de daarop aangesloten aansluitleidingen, niet kleiner zijn dan de voor het adequaat functioneren van het  verbrandingstoestel noodzakelijke capaciteit;
  • de opstelling van het verbrandingstoestel met inbegrip van een aansluitleiding tussen het toestel en de voorziening voor de afvoer van rookgas brandveilig is;
  • de voorziening voor afvoer van rookgas doeltreffend is gereinigd, en
  • het verbrandingstoestel met een aansluitmogelijkheid op een voorziening voor afvoer van rookgas adequaat op de voorziening is aangesloten.

protocol

Lid 2

Van een brandveilige opstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c, is in ieder geval sprake indien de opstelling brandveilig is, bepaald volgens NEN 3028.

protocol

Artikel 7.10 - Restrisico brandgevaar en ontwikkeling van brand

toelichting


Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor:

  • brandgevaar wordt veroorzaakt, of
  • bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt.

protocol

Artikel 7.8 - Opslag in stookruimte

toelichting


In een technische ruimte met een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW zijn geen brandbare goederen opgeslagen of opgesteld.

protocol

Artikel 7.3 - Vastzetten zelfsluitend constructie-onderdeel

toelichting


Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in artikel 6.26, eerste lid, mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.

protocol

Artikel 7.2 - Verbod op roken en open vuur

toelichting

Lid 1

Het is verboden te roken of open vuur te hebben:

  • in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof;
  • bij het verrichten van een handeling die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken, en
  • bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.

protocol

Lid 2

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt goed zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig NEN 3011.

protocol

Artikel 7.5 - Brandveiligheid inrichtingselementen

toelichting

Lid 1

In een voor publiek toegankelijke ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn brandveilig.

protocol

Lid 2

Aan het in het eerste lid gestelde is in ieder geval voldaan indien een naar de lucht gekeerd onderdeel van het inrichtingselement:

  • onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
  • voldoet aan brandklasse A1, als bedoeld in NEN-EN 13501-1;
  • een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan brandklasse D, als bedoeld in NEN-EN 13501-1;
  • een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, of
  • een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.

protocol

Lid 3

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

protocol

Artikel 7.6 - Brandgevaarlijke stoffen

toelichting

Lid 1

In, op of nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 7.6 aanwezig.

protocol

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing indien:

  • de in tabel 7.6 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, met dien verstande dat de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;
  • de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
    -  de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
    -  de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding, en
    -  geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen, en
  • de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

protocol

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;
  • brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel;
  • voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;
  • gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;
  • dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter, en
  • brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wabo is toegestaan.

protocol

Lid 4

Bij het berekenen van een toegestane hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

protocol

Lid 5

In afwijking van het derde lid, onderdeel e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een in dat onderdeel bedoelde oliesoort toegestaan indien de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkom

protocol

Artikel 7.7 - Brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen

toelichting

Lid 1

Bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen is zodanig dat bij brand geen onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen of op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren gebouw dat op grond van hoofdstuk 2 een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment is, of voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen.

protocol

Lid 2

Aan het in het eerste lid gestelde is bij opslag van hout, anders dan in een gebouw, voldaan indien:

  • de opslag bij brand gedurende een periode van ten minste 60 minuten, gerekend vanaf het ontstaan van de brand, geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan 15 kW/m²;
  • de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd, waarbij in een derde zijde ook een toegangsmogelijkheid aanwezig is indien die zijde langer is dan 40 m, en
  • bij de opslag een bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit van ten minste 90 m³ per uur aanwezig is.

protocol

Lid 3

De in het tweede lid bedoelde stralingsbelasting wordt gemeten op:

  • de perceelsgrens, indien het aangrenzend perceel een kampeerterrein, een speeltuin of een opslag van brandgevaarlijke stoffen is, en
  • enig punt van de uitwendige scheidingsconstructie van een op het aangrenzend perceel gelegen gebouw

protocol