© 2013 - 2015  Buro BOV | softwareontwikkeling

home - vorige - volgende

home - vorige - volgende

Afdeling 6.7 - Bestrijden van brand, nieuwbouw en bestaande bouw

Doel

Het aanwezig zijn van voorzieningen waardoor ven/vacht mag worden dat met het bestrijden van brand binnen een aanvaardbare tijd kan worden begonnen en de omvang van de brand kan worden beperkt.

Bepalingsmethode

NEN 1594:2006 en NEN 1594:1991

Terminologie & afkortingen

  • automatische brandblusinstallatie: een vast aangebrachte blusinstallatie die in werking treedt na detectie van een brand;
  • blustoestel: kleine draagbare of verrijdbare blusmiddelen, zoals een poederblusser, een schuimblusser, een CO2-blusser of een aerosolblusser;
  • bluswatervoorziening: voorziening van voldoende capaciteit en bereikbaarheid voor de bestrijding van brand door de brandweer; dit is in beginsel een openbare bluswatervoorziening (brandkraan, aangesloten op het openbare waterleidingnet, of oppervlaktewater), maar kan ook eventueel in aanvulling, een bluswatervoorziening op het eigen perceel (put of oppervlaktewater) zijn;
  • brandslangaansluiting: aansluitpunt op een droge blusleiding waarop de brandweer een brandslang kan aansluiten;
  • brandslanghaspel: een brandslang die afgerold kan worden van een haspel en is aangesloten op een watervoorziening (doorgaans de drinkwaterinstallatie), met name bedoeld om een beginnende brand te kunnen blussen door een in de nabijheid aanwezige persoon;
  • brandweeringang: een ingang die door de brandweer gebruikt wordt om een gebouw te betreden bij een brandmelding; deze kan worden geopend met behulp van een bij de brandweer in gebruik zijnde sleutelbuis of sleutelkluissysteem, dan wel automatisch bij een brandmelding; vaak is de brandweeringang ook voorzien van een flitslicht;
  • CCV: Centrum voor Criminaliteitsbestrijding en Veiligheid (zie www.hetccv.nl);
  • droge blusleiding: blusleiding die bij brand door de brandweer kan worden gebruikt en voor dat doel is voorzien van een voedingsaansluiting en brandslangaansluitingen;
  • hulppost: in een wegtunnel aangebrachte kleine ruimte (doorgaans een nis in de tunnelwand) voorzien van blusmiddelen, een communicatievoorziening en een stroomvoorziening;
  • kamergewijze verhuur (woonfunctie voor): niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden;
  • rookbeheersingssysteem: een voorziening waarbij bij brand een ruimte of een deel daarvan zoveel mogelijk rookvrij wordt gehouden, onder te verdelen in onder meer:
    -  rook- en warmteafvoerinstallatie (voor de afvoer van rook- en warmte uit een grote ruimte, zoals een atrium of een grote bedrijfshal);
    -  overdrukinstallatie (voor het rookvrij houden van bijvoorbeeld een trappenhuis);
    -  stuwdrukinstallatie (voor het verdrijven van rook uit een grote ruimte, zoals een grote parkeergarage of een lange tunnel);
  • sprinklerinstallatie: een automatische blusinstallatie waarbij detectie van een beginnende brand plaatsvindt door middel van sproeikoppen (sprinklers) die bij een bepaalde temperatuur water gaan sproeien;
  • voedingsaansluiting: aansluitpunt op een droge blusleiding waardoor de brandweer bluswater in de blusleiding kan pompen;
  • wegtunnel: tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994.

Samenhang met andere artikelen

Afdeling 2.13 - Hulpverlening bij brand
De kans dat gebruikers bij brand niet op eigen kracht een veilige plaats bereiken tot een aanvaardbaar minimum beperken.

Afdeling 4.1 - Verblijfsgebied en verblijfsruimte
Een gebruiksfunctie inrichten zodat deze kan worden ingedeeld voor het verrichten van de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten.

Afdeling 4.4 - Bereikbaarheid en toegankelijkheid, nieuwbouw
Het voldoende bereikbaar en (integraal) toegankelijk zijn van ruimten in een gebouw.

Afdeling 6.8 - Bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten, nieuwbouw en bestaande bouw
Bereikbaarheid door hulpverleningsdiensten.

Afdeling 7.1 - Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand, nieuwbouw en bestaande bouw
Het ontstaan van een brand of brandgevaarlijke situatie tot een aanvaardbaar minimum beperken.

Artikel 6.27 - Aansturingsartikel

tabel 6.27 - toelichting

tabel 6.27 - toelichting -

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.27 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften en de krachtens die bepalingen gegeven voorschriften.

Artikel 6.28 - Brandslanghaspels

toelichting

Lid 1

Een te bouwen gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel.

protocol

Lid 2

Een te bouwen gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel indien de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 6.27.

protocol

Lid 3

De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste en tweede lid en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit geldt niet voor een niet in een functiegebied gelegen vloer die uitsluitend door niet besloten ruimten kan worden bereikt.

protocol

Lid 4

Een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste en tweede lid:

  • heeft een slang met een lengte van niet meer dan 30 m;
  • is aangesloten op een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 6.12, die bij het mondstuk een statische druk geeft van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit heeft van 1,3 m³/h bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels, en
  • ligt niet in een ruimte met een trap waarover een beschermde vluchtroute voert.

protocol

Artikel 6.29 - Droge blusleiding

toelichting

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau, heeft een droge blusleiding.

protocol

Lid 2

Bij ministeriële regeling kan een droge blusleiding in andere gevallen dan in het eerste lid bepaald worden voorgeschreven en kunnen voorschriften ter zake van droge blusleidingen worden gegeven.

protocol

Lid 3

Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 6.30 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in elke hulppost als bedoeld in afdeling 2.13 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m³/h kan leveren.

protocol

Lid 4

De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 60 m voor nieuwbouw en 110 m voor bestaande bouw.

protocol

Lid 5

Een te installeren droge blusleiding voldoet aan NEN 1594.

protocol

Lid 6

De inrichting van een bestaande droge blusleiding voldoet aan NEN 1594 voor:

  • de drukbestendigheid;
  • de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding;
  • de soorten koppelingen voor de aansluiting van brandslangen;
  • de aanduiding van de brandslangaansluitingen, en
  • de aanduiding van de voedingsaansluitingen.

protocol

Lid 7

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.16, eerste lid, worden een bij of krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en een pompinstallatie bij oplevering en daarna eenmaal in de vijf jaar getest volgens NEN 1594.

protocol

Artikel 6.30 - Bluswatervoorziening

toelichting

Lid 1

Een bouwwerk heeft een toereikende bluswatervoorziening. Dit geldt niet indien de aard, ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist.

protocol

Lid 2

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m³/h kan leveren.

protocol

Lid 3

De afstand tussen een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 m.

protocol

Lid 4

Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

protocol

Artikel 6.31 - Blustoestellen

toelichting

Lid 1

Voor zover daarin niet reeds voldoende door de aanwezigheid van brandslanghaspels is voorzien, is een gebouw voorzien van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen om een beginnende brand zo snel mogelijk door in het gebouw aanwezige personen te laten bestrijden.

protocol

Lid 2

Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur is aan het eerste lid voldaan met een toestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert.

protocol

Lid 3

Elke hulppost als bedoeld in artikel 2.122 heeft een draagbaar brandblusapparaat.

protocol

Lid 4

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.16, eerste lid, wordt ten minste eenmaal per twee jaar overeenkomstig NEN 2559 op adequate wijze het nodige onderhoud aan een bij of krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel verricht en de goede werking van dat blustoestel gecontroleerd.

protocol

Artikel 6.32 - Automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem

toelichting

Lid 1

Een bij of krachtens de wet voorgeschreven automatische brandblusinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen.

protocol

Lid 2

Een bij of krachtens de wet voorgeschreven rookbeheersingsinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Rookbeheersingsinstallaties.

protocol

Artikel 6.33 - Aanduiding blusmiddelen

toelichting


Een voorziening voor het bestrijden van brand als bedoeld in de artikelen 6.28 en 6.31 is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.


Artikel 6.34 - Tijdelijke bouw


Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 6.28 en 6.29 van toepassing.

toelichting