© 2013 - 2015  Buro BOV | softwareontwikkeling

home - vorige - volgende

home - vorige - volgende

Afdeling 6.4 - Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, nieuwbouw en bestaande bouw

Doel

Het voorkomen dat:
-  als gevolg van vervulling door afvalwater en fecaliën in of nabij gebouwen ziekteverwekkers en voedingsbodem vinden;
-  een te grote stank in ruimten voor het verblijven van mensen kan komen;
-  de afvalstroom pas na zuivering in het milieu terecht komt; en
-  het voorkomen van wateroverlast bij voor het verblijf van mensen bestemde gebouwen.

Bepalingsmethode

NEN 3215, NEN 7002, NEN 7003, NEN 7013, NEN-EN 1401-1, NEN-EN 295-1, NEN-EN 295-2 en NEN-EN 295-3

Terminologie & afkortingen

  • afschot: geringe, in de stroomrichting neerwaartse helling van een liggende leiding;
  • afvalwater: al het water waarvan de houder zich - met het oog op verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich ervan te ontdoen of zich ervan moet ontdoen (afvalwater zegt niets over de samenstelling en de herkomst; hieronder kan dus ook hemelwater worden begrepen);
  • afvoerleiding: leiding voor afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater;
  • binnenriolering: verouderde term voor: gebouwriolering;
  • buitenriolering: stelsel van afvoerleidingen, met inbegrip van alle hulpstukken, stankafsluiters, zettingsconstructies, ontlastputten en verbindingen, die zich buiten het gebouw bevindt voor zover het niet aan het gebouw is bevestigd;
  • gebouwaansluiting: buiten het gebouw gelegen overgang van de gebouwriolering op de buitenriolering, die ligt op een afstand van maximaal 0,5 m vanaf het gebouw of zoveel korter dan een zettingsconstructie in de buitenriolering vereist;
  • gebouwriolering: stelsel van afvoerleidingen en ontspanningsleidingen, met inbegrip van alle hulpstukken, dakafvoeren, stankafsluiters, afdichtingen en bevestigingen - voor zover geen deel uitmakend van lozingstoestellen - dat zich binnen een gebouw bevindt, of buiten een gebouw voor zover het aan het gebouw is bevestigd, voor de afvoer van afvalwater;
  • hemelwaterafvoerleiding: afvoerleiding uitsluitend bestemd voor de afvoer van regen- en smeltwater, van het buitenoppervlak van een gebouw;
  • huishoudelijk afvalwater: volgens artikel 2, lid 2, van de Europese Richtlijn stedelijk afvalwater (91/271/EEG) afvalwater van woongebieden en diensten, dat overwegend afkomstig is van de menselijke stofwisseling en van huishoudelijke werkzaamheden;
  • lozingstoestel: toestel voor rechtstreekse lozing op de gebouwriolering van huishoudelijk afvalwater;
  • ontlastput: voorziening die beoogt tijdens onvoldoende afvoercapaciteit van de buitenriolering of de perceelaansluiting het overtollige afvalwater zonder schade buiten het gebouw af te voeren;
  • ontspanningsleiding: leiding die tot doel heeft voldoende ont- en beluchting van de gebouwriolering te waarborgen;
  • ontwerpmiddellijn: theoretisch inwendige middellijn van een leiding;
  • perceelaansluitleiding: buiten het perceel gelegen leiding die de gebouwriolering of de buitenriolering binnen de perceelsgrenzen verbindt met de openbare riolering;
  • soventstandleiding: standleiding voor de toepassing in hoogbouw met uitsluitend speciaal vormgegeven sovent-T-stukken;
  • sovent-T-stuk: T-stuk waarin zich een tussenschot bevindt, waardoor de snelheid van het vallende afvalwater wordt afgeremd en de zijdelingse instroom niet direct de valstroom hindert, waardoor de toegang voor luchtcirculatie naar de aansluiting gewaarborgd blijft (geschikt voor toepassing in een soventstandleiding);
  • standleiding: afvoerleiding die geen grotere helling heeft dan 45° ten opzichte van de verticaal;
  • stankafsluiter: in een lozingstoestel of in een toestelleiding aangebrachte voorziening die - in het algemeen door een in die voorziening aanwezige hoeveelheid afvalwater - de uittreding van gas uit de afvoerleiding verhindert;
  • terreinleiding: afvoerleiding die zich binnen de perceelsgrens in de grond bevindt voor zover die niet onder of aan het gebouw is bevestigd;
  • toestelleiding: afvoerleiding waarop slechts één lozingstoestel is aangesloten;
  • UV-systeem: zie volvulsysteem;
  • vereveningsleiding: leiding die evenwicht brengt in de luchtdruk die heerst in een of meer standleidingen en waarop geen toestelleidingen worden aangesloten;
  • verzamelleiding: liggende leiding:
    -  die toestelleidingen verbindt met een standleiding;
    -  waarop andere verzamelleidingen en standleidingen zijn aangesloten; of
    -  die onder de begane grondvloer het huishoudelijke afvalwater of hemelwater ontvangt en op de buitenriolering loost;
  • volvulsysteem: afvoersysteem voor hemelwater van daken onder hevelwerking door volledige vulling van het leidingsysteem;
  • waterslot: effectieve hoogte van de grootst mogelijke stilstaande vloeistofkolom in een stankafsluiter.

Samenhang met andere artikelen

Afdeling 3.5 - Wering van vocht
Het voorkomen dat de atmosfeer in een ruimte bestemd voor personen langdurig vochtig is met schimmelvorming als gevolg.

Afdeling 3.6 - Luchtverversing
De aanwezigheid van een voorziening die de kwaliteit van de binnenlucht (voor het beoogde gebruik) voldoende waarborgt.

Afdeling 3.10 - Bescherming tegen ratten en muizen
De beperking voor ratten en muizen om in een gebouw te komen.

Afdeling 4.7 - Opstelplaatsen
De plaats voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel of een warmwatertoestel.

Artikel 6.15 - Aansturingsartikel

tabel 6.15 - toelichting

tabel 6.15 - toelichting -

Lid 1

Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.15 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

protocol

Lid 2

Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft:

  • bij een te bouwen bouwwerk: een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215;
  • bij een bestaand bouwwerk: een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.

protocol

Artikel 6.16 - Afvoer van huishoudelijk afvalwater

toelichting

Lid 1

Een dak van een te bouwen bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.

protocol

Lid 2

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

protocol

Artikel 6.17 - Afvoer van hemelwater

toelichting

Lid 1

Een ondergrondse doorvoer van een afvoervoorziening als bedoeld in de artikelen 6.16 en 6.17 door een uitwendige scheidingconstructie van een bouwwerk ligt zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

protocol

Lid 2

De gebouwaansluiting van een afvoervoorziening als bedoeld in de artikelen 6.16 en 6.17 op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

protocol

Lid 3

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

  • heeft geen vernauwing in de stroomrichting;
  • heeft een vloeiend beloop;
  • is waterdicht;
  • heeft een voldoende inwendige middellijn, en
  • bevat geen beer- of rottingput.

protocol

Lid 4

Op aanwijzing van het bevoegd gezag wordt bepaald:

  • indien voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer aanwezig is waarop aangesloten kan worden: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een afvoervoorziening als bedoeld in artikel 6.16 op dat riool of dat systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk dan wel de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
  • indien voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop aangesloten kan worden en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een afvoervoorziening als bedoeld in artikel 6.17 op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk dan wel de grens van het erf of terrein wordt aangelegd, en
  • of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

protocol

Artikel 6.18 - Terreinleiding

toelichting