© 2013 - 2015  Buro BOV | softwareontwikkeling

home - vorige - volgende

home - vorige - volgende

Afdeling 6.2 - Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie, nieuwbouw en bestaande bouw

Doel

Het veilig kunnen afnemen en gebruiken van energie en het bereiken van de in een warmteplan aangegeven mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

Bepalingsmethode

NEN 1010:2011, NEN 1010:1962, NEN 1078, NEN 2078, NEN 276, NEN 8078, NEN-EN 15001-1, NEN-EN 50522, NEN-EN-lEC 61936-1 en V1041

Terminologie & afkortingen

  • aansluitafstand: afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
  • aardlekschakelaar: schakelaar waarvan de uitschakeling van de voeding automatisch in werking treedt, zodra een lekstroom van een bepaalde grootte (in woningen doorgaans 300 mA) optreedt, onder invloed van een in de schakelaar ingebouwde aardlekdetectie;
  • distributienet voor warmte: collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
  • eindgroep: elektrische stroomketen (waarin geen schakel- en verdeelinrichting voorkomt) die is bestemd om rechtstreeks elektrische stroom te leveren aan elektrische toestellen of contactdozen;
  • elektriciteitsvoorziening: op een perceel gelegen voorziening voor elektriciteit die begint bij het aansluitpunt, waar het de stroom betrekt van het elektriciteitsnet;
  • elektrische installatie: een samenstel van delen van een installatie dat dient voor de opwekking, het transport en de toepassing van elektrische energie; het Bouwbesluit 2012 heeft alleen betrekking op het deel van een elektrische installatie dat tot een bouwwerk behoort en dient voor transport van elektrische energie voorzover die installatie niet is bestemd voor transport van extra lage spanning;
  • extra lage spanning (ELV): lage spanning met een spanningsgebied waarbinnen de nominale waarde van de spanning niet hoger is dan 50 V bij wisselspanning of 120 V bij gelijkspanning; zie ook PELV-keten en SELV-keten;
  • hoge spanning: een spanningsgebied waarbinnen de nominale waarde van de spanning hoger is dan 1000 V bij wisselspanning of 1500 V bij gelijkspanning;
  • lage spanning: een spanningsgebied waarbinnen de nominale waarde van de spanning niet hoger is dan 1000 V bij wisselspanning of 1500 V bij gelijkspanning;
  • metalen gestel (aanraakbaar geleidend deel): geleidend deel van materieel dat aanraakbaar is en gewoonlijk niet onder spanning staat, maar door een fout in de basisbescherming (fundamentele isolatie) van gevaarlijke actieve delen onder spanning kan komen te staan;
  • PELV-keten: (PELV = protective extra low voltage) een geaarde stroomketen die onder normale omstandigheden voldoet aan de eisen gesteld aan een SELV-keten;
  • preferente stroomketen: stroomketen die uitsluitend is bestemd voor installaties die in noodsituaties gedurende een voorgeschreven tijd in stand moeten blijven (zoals noodverlichting, brandweerliften, brandpompen en overdrukinstallaties en rechtstreeks is aangesloten voor de schakelaar voor het scheiden en schakelen van de schakel- en verdeelinrichting op de plaats van overgang van de elektriciteitsvoorziening op de aansluitleiding van het distributienet;
  • PV: fotovoltaïsch voedingssysteem;
  • SELV-keten: (SELV = safety extra low voltage) een niet-geaarde stroomketen waarin, ook onder bijzondere omstandigheden, alleen een extra lage spanning kan optreden;
  • toestel voor aardbeveiliging: aardlekschakelaar, aardlekautomaat of een vermogensschakelaar met aardlekdetectie;
  • voorziening voor noodstroom: een vast opgestelde voorziening die (overeenkomstig 351 van NEN 1010) bestaat uit:
    -  een oplaadbare batterij;
    -  een brandstofcelsysteem;
    -  een generator die onafhankelijk is van de normale energievoorziening; of
    -  een afzonderlijke voedingsleiding, aangesloten op een net dat voldoende onafhankelijk is van de normale energievoorziening (dit mag een preferente stroomketen zijn);
  • vreemd geleidend deel: een geleidend deel dat geen deel uitmaakt van de elektrische installatie en dat oorzaak kan zijn van elektrisch potentiaal, in het algemeen de elektrische potentiaal van de plaatselijke aarde, hierbij geldt dat:
    -  vreemde geleidende delen onder meer zijn;
    -  een metalen waterleiding en een metalen cv-leiding;
    -  een metalen badkuip en een metalen douchebak (ook als de kuip of de bak is aangesloten op een kunststof leiding); en
    -  een metalen wand en een metalen frame van een wand;
    -  geleidende delen die niet als vreemd geleidend worden aangemerkt, zijn onder meer:
         -  een deurknop, een raamkruk en een scharnier;
         -  een raamkozijn en een deurkozijn;
         -  een ophanghaak en een handgreep;
         -  een cv-radiator die is aangesloten met kunststof leidingen, is geïsoleerd van betonwapening en is opgehangen met kunststof beugels of metalen beugels die deugdelijk met kunststof zijn bekleed; en
         -  een kraan of een metalen sifon die is aangesloten op kunststof leidingen;
  • warmteplan: besluit van de gemeenteraad inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;
  • wegtunnel: tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994.

Samenhang met andere artikelen

Afdeling 6.3 - Watervoorziening, nieuwbouw en bestaande bouw
Een watervoorziening waarbij het water bij de tappunten kwalitatief geschikt is voor menselijke consumptie en hygiëne.

Artikel 6.7 - Aansturingsartikel

toelichting

toelichting -

Lid 1

Een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie heeft een veilige voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.

Lid 1

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  • NEN 1010 bij lage spanning, en
  • NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522 bij hoge spanning.

protocol

Lid 2

Bij een bestaand bouwwerk voldoet in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, de voorziening voor elektriciteit aan V 1041.

protocol

Artikel 6.8 - Voorziening voor elektriciteit

toelichting

Lid 1

Een te installeren voorziening voor gas voldoet aan:

  • NEN 1078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar, en
  • NEN-EN 15001-1 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

protocol

Lid 2

Een bestaande voorziening voor gas voldoet aan:

  • NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar, en
  • NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

protocol

Lid 3

Een te bouwen bouwwerk met een in artikel 6.10 bedoelde aansluiting op het distributienet voor gas heeft, voor die aansluiting, leidingdoorvoeren en een mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.

protocol

Artikel 6.9 - Voorziening voor gas

toelichting

Lid 1

Een in artikel 6.8, eerste en tweede lid, bedoelde voorziening voor elektriciteit is aangesloten op het distributienet voor elektriciteit indien:

  • de aansluitafstand niet groter is dan 100 m, of
  • de aansluitafstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

protocol

Lid 2

Een in artikel 6.9, eerste en tweede lid, bedoelde voorziening voor gas is aangesloten op het distributienet voor gas indien:

  • de aansluitafstand niet groter is dan 40 m, of
  • de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

protocol

Lid 3

Een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden is aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte indien:

  • het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op dat distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt, en
  • de aansluitafstand:
    -  niet groter is dan 40 m, of
    -  groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

protocol

Artikel 6.10 - Aansluiting op het distributienet voor elektriciteit, gas, en warmte

toelichting