© 2013 - 2015  Buro BOV | softwareontwikkeling

home - vorige - volgende

home - vorige - volgende

Afdeling 3.6 - Luchtverversing

Doel

Het aanwezig zijn van een voorziening waarmee de kwaliteit van de binnenlucht - voor het beoogde gebruik - voldoende is gewaarborgd. Dit betekent dat de verontreiniging door chemische, fysische en biologische agentia zo gering is dat - ook op de lange termijn en voor de gevoelige groepen van de bevolking - geen nadeel voor de gezondheid van de gebruikers ontstaat (inclusief hinder). Onder gevoelige groepen worden vooral begrepen: bejaarden, baby’s zwangere vrouwen en zieken (zeer gevoelige groepen, zoals carapatiënten, worden hier niet onder begrepen).

Bepalingsmethode

NEN 1087, NEN 8087, NEN 2757-1 en NEN 2757-2

Terminologie & afkortingen

  • denkbeeldig uitmondingsgebied: bol met een straal van 0,2·√Btot of 0,2·√qvtot in m, met een minimum van 2 m, waarbij het middelpunt van de bol is gelegen in het hart van de uitstroomopening van de uitmonding met de grootste belasting of capaciteit; bij uitmondingen met gelijke belasting of capaciteit moet het middelpunt van de bol zo worden gekozen dat zoveel mogelijk uitmondingen binnen de bol vallen (dit geldt zowel voor horizontale als verticale uitmondingen); Btot of qvtot is de grootst mogelijke nominale belasting van de op de afvoervoorziening aangesloten verbrandingstoestellen, respectievelijk de som van de capaciteiten van de ventilatiecomponenten die op de afvoer zijn aangesloten;
  • dwarsventilatie: ventilatie waarbij verse lucht via de ene gevel toestroomt en binnenlucht via uitsluitend een of meer gevels, al dan niet via overstroomcomponenten, wordt afgevoerd, waarbij afhankelijk van de windrichting de toe- en afvoeropeningen kunnen wisselen;
  • leefzone: deel van een verblijfsgebied dat zich tot een hoogte van 1,8 m boven de vloer bevindt binnen:
    -  1 m van een uitwendige scheidingsconstructie; en
    -  0,2 m van een inwendige scheidingsconstructie;
  • nominale belasting (B): maximale belasting van een verbrandingstoestel (volgens opgave van de fabrikant) en bij een gastoestel bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is ingericht;
  • ontspanningsleiding: leiding die tot doel heeft voldoende ont- en beluchting van de gebouwriolering te waarborgen;
  • overstroomcomponent: voorziening in een inwendige scheidingsconstructie, die als afvoer voor de ruimte aan de ene zijde van de scheidingsconstructie en gelijktijdig als toevoer voor een ruimte aan de andere zijde dient;
  • ventilatiecapaciteit (qv): de capaciteit die een ventilatievoorziening maximaal kan leveren voor zowel de toevoer van verse lucht als de afvoer van die lucht;
  • verdunningsfactor (f): een factor die vermenigvuldigd met 10% aangeeft welk deel van de ventilatielucht ter plaatse van een toevoervoorziening ten hoogste is vervuild door van het eigen perceel (doorgaans hetzelfde gebouw) afkomstige afvoerlucht of rook;
  • voorziening voor luchtverversing: een voorziening die bestaat uit een component voor toevoer van ventilatielucht en een component voor afvoer van binnenlucht.

Samenhang met andere artikelen

Afdeling 3.2 - Bescherming tegen geluid van installaties, nieuwbouw
Het bij nieuwbouw beperken van geluid van gebouwgebonden installaties.

Afdeling 3.7 - Spuivoorziening
De mogelijkheid tot snel verversen bij een sterke verontreiniging van de lucht.

Afdeling 3.8 - Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas
Het binnen een besloten ruimte voorkomen van de vorming van koolmonoxide.

Afdeling 3.10 - Bescherming tegen ratten en muizen
De beperking voor ratten en muizen om in een gebouw te komen.

Afdeling 6.4 - Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, nieuwbouw en bestaande bouw
Beperking van vervuiling door afvalwater en stank en het voorkomen van wateroverlast.

Artikel 3.28 - Aansturingsartikel

Artikel 3.32 - Luchtverversing overige ruimten

tabel 3.28 - toelichting

toelichting

Lid 1

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.28 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 3.31 - Regelbaarheid

toelichting

Lid 1

Een voorziening voor natuurlijke toevoer van verse lucht is regelbaar in het gebied van 0% tot 30% van de capaciteit als bedoeld in artikel 3.29 en heeft, bepaald volgens NEN 1087, naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste twee regelstanden in het regelgebied die onderling ten minste 10% in capaciteit verschillen

protocol

Lid 2

Een voorziening voor mechanische toevoer van verse lucht heeft een dichtstand, is regelbaar in het gebied van 10% tot 100% van de capaciteit als bedoeld in artikel 3.29 en heeft naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit ten minste een regelstand in het regelgebied.

protocol


Lid 3

Een voorziening voor toevoer van verse lucht als bedoeld in het eerste en tweede lid mag zelfregelend zijn in het regelgebied.

protocol

Artikel 3.35 - Verbouw

toelichting

tabel 3.28 - tabel 3.37 - toelichting -

Artikel 3.33 - Plaats van de opening

toelichting

Artikel 3.30 - Thermisch comfort

toelichting


De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

protocol

Artikel 3.29 - Luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

toelichting

Lid 1

Een verblijfsgebied heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,9 dm³/s per m² vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm³/s.

protocol

Lid 2

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm³/s.

protocol

Lid 3

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.28 aangegeven capaciteit per persoon.

protocol

Lid 4

Onverminderd het eerste tot en met derde lid heeft een verblijfsgebied of een verblijfsruimte, met een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.38 een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s.

protocol

Lid 5

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en derde lid geldt voor elk afzonderlijk verblijfsgebied. In aanvulling daarop is de capaciteit niet kleiner dan 70% van de som van de waarden die volgens het eerste, derde en vierde lid gelden voor de op die voorziening aangewezen verblijfsgebieden.

protocol

Lid 6

Een toiletruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm³/s, bepaald volgens NEN 1087.

protocol

Lid 7

Een badruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 14  dm³/s, bepaald volgens NEN 1087.

protocol

Lid 1

Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,5 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte.

protocol

Lid 2

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm³/s.

protocol

Lid 3

Een schacht voor een lift heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die liftschacht.

protocol

Lid 4

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m² heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte

protocol

Lid 5

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte.

protocol

Lid 6

Een tunnel heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit.

protocol

Lid 7

Bij een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de in het zesde lid bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.

protocol

Lid 1

De volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing heeft ter plaatse van een instroomopening voor de toevoer van verse lucht voor een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.29 ten hoogste de in tabel 3.33 aangegeven waarde. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen buiten beschouwing.

protocol

Lid 2

De volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas heeft ter plaatse van een instroomopening voor de toevoer van verse lucht voor een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 3.29 ten hoogste de in tabel 3.33 aangegeven waarde. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen buiten beschouwing.

protocol


Lid 3

Een instroomopening en een uitmonding van een voorziening voor luchtverversing liggen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

protocol

Artikel 3.34 - Luchtkwaliteit

toelichting

Lid 1

De toevoer van de in artikel 3.29 bedoelde hoeveelheid verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.

protocol

Lid 2

In afwijking van het eerste lid mag, bij de toevoer van verse lucht naar een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied, ten hoogste 50% van de in artikel 3.29 bedoelde hoeveelheid via een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte van dezelfde gebruiksfunctie worden aangevoerd.

protocol

Lid 3

De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

protocol

Lid 4

De toevoer van verse lucht naar een schacht voor een lift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of via de liftmachineruimte van buiten. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.

protocol

Lid 5

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.

protocol

Lid 6

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.

protocol

Lid 7

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.29, vierde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

protocol

Lid 8

De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

protocol

Lid 9

De afvoer van binnenlucht uit een stallingruimte voor motorvoertuigen vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

protocol

Lid 1

Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.29 tot en met 3.34 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.

protocol


Lid 2

In afwijking van het eerste lid mag bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas bij toepassing van artikel 3.33, tweede lid, niet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.

protocol

Artikel 3.38 - Luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte

Lid 1

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm³/s.

Lid 2

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.37 aangegeven capaciteit per persoon.

Lid 3

Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.42 of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.

Lid 4

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.

Lid 5

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied, dat bestaat uit meer dan één gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.

Lid 6

Een toiletruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm³/s, bepaald volgens NEN 8087.

Lid 7

Een badruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 14 dm³/s, bepaald volgens NEN 8087.

toelichting

Artikel 3.37 - Aansturingsartikel

Lid 1

Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.37 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

tabel 3.37 - toelichting

Artikel 3.39 - Luchtverversing overige ruimten

Lid 1

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm³/s.

Lid 2

Een schacht voor een lift heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die liftschacht.

Lid 3

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m² heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s.

Lid 4

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte.

Lid 5

Een tunnel heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit.

Lid 6

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de in het vijfde lid bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.

toelichting

Artikel 3.40 - Luchtkwaliteit

Lid 1

De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of via de liftmachineruimte. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte.

Lid 2

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht uit een dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Lid 3

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats en de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.

Lid 4

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.38, derde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

Lid 5

De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

toelichting

Artikel 3.36 - Tijdelijke bouw


Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 3.29 tot en met 3.34 van toepassing.


toelichting