© 2013 - 2015  Buro BOV | softwareontwikkeling

home - vorige - volgende

home - vorige - volgende

Afdeling 2.3 - Afscheiding van vloer, trap en hellingbaan

Doel

Bescherming bieden tegen het vallen van een vloer, trap of hellingbaan.

Bepalingsmethode


Terminologie & afkortingen

  • aansluitend terrein: aan een bouwwerk grenzend onbebouwd deel van het eigen of van een ander perceel of van een openbaar toegankelijk gebied;
  • aansluitend water: aan een bouwwerk grenzend water dat deel uitmaakt van het eigen perceel of van openbaar water;
  • Frans balkon: een vloer afscheiding aan een gevel voor een naar binnen draaiend constructieonderdeel;
  • overklauterbaar: aanwezigheid van een opstapmogelijkheid tussen 0,2 m en 0,7 m bij een balkonhek, traphek of balustrade;
  • sleutel: een middel waarmee een deurslot geopend kan worden (dit kan ook een magneetkaart of zelfs een irisscan zijn);
  • verhuisraam: uitneembaar raam dat tijdens normaal gebruik niet beweegbaar is;
  • vloer: horizontale bouwconstructie die is bestemd voor het betreden door mensen;
  • voor personen bestemde vloer: vloer waarvan het kenmerkend gebruik verbonden is met de aanwezigheid van personen; voorbeelden van een niet voor personen bestemde vloer zijn een vloer van een vliering en van een technische ruimte; daarentegen wordt de vloer van een bij een woning behorende bergruimte wel beschouwd al een voor personen bestemde vloer.

Samenhang met andere artikelen

Afdeling 2.4 - Overbrugging van hoogteverschillen
Wanneer moet een hoogteverschil worden overbrugd met een vaste voorziening.

Afdeling 2.5 - Trap
Een trap die op grond van afdeling 2.4 niet vereist is, hoeft niet te voldoen aan de voorschriften van afdeling 2.5.

Afdeling 2.6 - Hellingbaan
Een hellingbaan dient veilig begaanbaar en integraal bruikbaar te zijn.

Lid 1

Een te bouwen bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, een trap en een hellingbaan zo veel mogelijk wordt voorkomen.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.16 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 2.16 - Aansturingsartikel

Artikel 2.17 - Aanwezigheid

Lid 1

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

protocol

Lid 2

Een trap als bedoeld in artikel 2.27 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.

protocol

Lid 3

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.27 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.

protocol

Lid 4

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

  • een trap, en
  • een hellingbaan.

protocol

Lid 5

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

  • een rand van een podium;
  • een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
  • een rand van een laadvloer;
  • een rand van een perron, en
  • een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.

protocol

Artikel 2.18 - Hoogte

Lid 1

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.

protocol

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.

protocol

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.

protocol

Lid 4

In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.

protocol

Lid 5

Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

protocol

Lid 1

Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 2.16 aangegeven diameter.

protocol

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.

protocol

Lid 3

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 is niet groter dan 0,05 m.

protocol

Lid 4

De bovenregel van een in artikel 2.17 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.

protocol

Lid 5

Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

protocol

Artikel 2.19 - Openingen

Artikel 2.20 - Overklauterbaarheid

Lid 1

Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.17 heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan.

protocol

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

protocol

Artikel 2.21 - Verbouw


Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.17 tot en met 2.20 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.

protocol

tabel 2.16 - tabel 2.22 - toelichting -

tabel 2.16 - toelichting

toelichting

toelichting

toelichting

toelichting

toelichting

Lid 1

Een bestaand bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, een trap of een hellingbaan redelijkerwijs wordt voorkomen.

Lid 2

Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.22 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 2.22 - Aansturingsartikel

tabel 2.22 - toelichting

Lid 1

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Lid 2

Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.

Lid 3

Een hellingbaan heeft, indien een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding.

Lid 4

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

  • een trap, of
  • een hellingbaan.

Lid 5

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

  • een rand van een podium;
  • een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
  • een rand van een laadvloer;
  • een rand van een perron, en
  • een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 2.23 - Aanwezigheid

toelichting

Lid 1

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, indien de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.

Lid 4

Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 2.24 - Hoogte

toelichting

Lid 1

Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven een vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 2.22 aangegeven diameter.

Lid 2

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 2.23, is niet groter dan 0,1 m.

Artikel 2.25 - Openingen

toelichting